Oorlogsleed

Ruim een maand na het begin van de Duitse bezetting vallen de eerste bommen op Hengelo. Eén daarvan treft de schoenenzaak op de hoek van Brinkstraat en Enschedesestraat. Winkel en bovenwoning worden in enkele seconden tot een ruïne. Er vallen vier doden te betreuren.

 

Aan de overkant loopt de Lambertus de eerste oorlogsschade op. De gebrandschilderde vensters van toren en zijgevels worden naar binnen gedrukt. Als een maand later het vijftigjarig bestaan van de kerk wordt gevierd, ontvangt het kerkbestuur een geldbedrag voor nieuwe vensters.

 

Ze laten lang op zich wachten. Voor de bezetter staat alles in het teken van de oorlog. Hij eist op wat voor de oorlogvoering van belang kan. Zoals de torenklokken, die worden omgesmolten tot wapentuig. Het vergroot de weerzin van de Hengeloërs: ‘Klokk’n oet de toor’n, oorlog verloor’n.’

 

Op 6 en 7 oktober 1944 is het echt raak. Geallieerde vliegtuigen werpen reeksen bommen af. Bijna de hele binnenstad wordt verwoest. Meer dan 120 mensen komen om het leven. Aan de rand van een trieste puinvlakte staat de Lambertus nog overeind. Aangeslagen en beschadigd. En plotseling één der laatste overblijfselen van een Hengelo dat voorbij is. Voorgoed voorbij.